Nóg strengere regels voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI)

In Nederland kennen we de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-regeling). Wanneer een verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de één en twee jaar, dan gaat volgens deze regeling 2/3e deel af van het strafgedeelte dat nog resteert ná het eerste jaar. Bij onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van meer dan 2 jaar geldt de VI-regeling wanneer 2/3e van de gehele straf is uitgezeten. Een voorbeeld: wanneer een gevangenisstraf van 12 jaar wordt opgelegd, dan komt de veroordeelde na 8 jaar in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Een nieuwe regeling in aankomst

Als het aan de Tweede Kamer ligt, gaat deze regeling drastisch veranderen. Hoewel Minister Dekker (Minister voor Rechtsbescherming) eerder niet veel steun vanuit de Kamer kreeg voor zijn plannen tot wijziging van de VI-regeling, is het wetsvoorstel dat (onder andere) strekt tot deze wijziging nu met een aanzienlijke meerderheid door de Tweede Kamer aangenomen.[1]

Kortere periode van voorwaardelijke invrijheidstelling

Een belangrijke verandering zal zijn dat alle veroordeelden pas voorwaardelijk vrij kunnen komen in de laatste twee jaar van de aan hen opgelegde gevangenisstraf. Aan het bepaalde in Artikel 15 lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht:

“Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend aan de veroordeelde tot een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan”

wordt de zinsnede toegevoegd:

“met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.”

In het kader van eerder genoemd voorbeeld, houdt dat dus in dat de persoon die veroordeeld is tot 12 jaren gevangenisstraf niet na 8, maar pas na 10 jaar in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat is een aanzienlijk verschil. Ten aanzien van gevangenisstraffen vanaf 6 jaar zal het moment dat een veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld dus gaan veranderen.

Minder mogelijkheden voorafgaand aan VI

Ook de aanloop naar de voorwaardelijke invrijheidstelling tijdens de detentie wijzigt. Personen die zijn veroordeeld voor een gevangenisstraf van meer dan één jaar, komen volgens de nieuwe wet niet meer in aanmerking voor deelname aan het penitentiair programma (PP). Dit programma houdt kort gezegd in dat een veroordeelde in de laatste fase van zijn of haar straf (gedeeltelijk) buiten de PI mag verblijven. Volgens de huidige regeling zoals opgenomen in de Penitentiaire Beginselenwet (PBW) kan men hiervoor in aanmerking komen bij een gevangenisstraf van boven de zes maanden en wanneer sprake is van een strafrestant (van het 2/3e deel van de straf) van ten minste vier weken en ten hoogste één jaar. Onderstaande afbeelding laat het verschil tussen de huidige en nieuwe regeling duidelijk zien wanneer het eerder genoemde voorbeeld (12 jaren gevangenisstraf) als uitgangspunt wordt genomen.[2]

Beoordeling van de verlening van VI

Een andere belangrijke verandering is de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. Volgens de huidige regeling beslist de rechter of de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege moet blijven of moet worden uitgesteld wanneer het Openbaar Ministerie daartoe een vordering indient. Volgens de nieuwe regeling krijgt het Openbaar Ministerie het voor het zeggen en gaat zij beslissen over de verlening van VI. Deze nieuwe bevoegdheid is opgenomen in het nieuwe artikel 15b Sr.

In een nieuw lid van artikel 15 is verwerkt welke aspecten er bij beslissing over het verlenen van VI door het OM moeten worden betrokken: 1) de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving, 2) de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen, en 3) de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, waaronder de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.

Door het betrekken van deze aspecten bij de vraag of al dan niet VI moet worden verleend, is de kans groot dat het voor veroordeelden van zware misdrijven het alles behalve vanzelfsprekend is dat zij in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het Openbaar Ministerie krijgt niet alleen de beslissingsbevoegdheid over het verlenen en uitstellen van VI, maar ook over het herroepen van de regeling, alsmede over het stellen, wijzigen dan wel opheffen van bijzondere voorwaarden (nieuwe artikel 15d lid 1 Sr). De bijzondere voorwaarden die kunnen worden opgelegd worden tevens door de wetswijziging verruimd (nieuwe art. 15a lid 3 Sr) met onder meer de mogelijkheid tot een verbod op vrijwilligerswerk en een verplichting tot een gehele of gedeeltelijke vergoeding van het door het strafbare feit veroorzaakte schade.

Bezwaarmogelijkheid en nieuwe aanvraag VI

Tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie inhoudende een niet-verlening of uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, staat een bezwaarmogelijkheid open. Binnen twee weken na betekening van de beslissing kan een bezwaar worden ingediend bij de rechtbank (nieuwe artikel 15g Sr).

Naast de bezwaarmogelijkheid heeft een veroordeelde voor één keer de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om alsnog voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld, als de VI in eerste instantie niet verleend is. Deze mogelijkheid bestaat echter pas 6 maanden nadat de beslissing tot niet-verlenen van de VI is gedaan (nieuwe artikel 15d lid 2 Sr). Het OM beslist op dit verzoek.

Overgangsrecht: voor wie en wanneer geldt de nieuwe regeling?

Al met al zeer ingrijpende veranderingen. Maar voor wie geldt de nieuwe regeling nu precies als deze in werking is getreden? Geldt de nieuwe VI-regeling bijvoorbeeld ook voor personen die al zijn veroordeeld vóór de inwerkingtreding van de regeling? Gelukkig is het antwoord daarop nee, althans, voor het grootste gedeelte.

De nieuwe VI-regeling zal van toepassing zijn op gevangenisstraffen die ná inwerkingtreding van de wet worden uitgesproken door de rechtbank of het gerechtshof. Straffen die daarvóór worden opgelegd, blijven vallen onder de huidige regeling. Het Openbaar Ministerie heeft bij de totstandkoming van de wet laten doorschemeren dat zij dit onwenselijk acht met betrekking tot de verschuiving van de beslissingsbevoegdheid over het verlenen van VI. Dit zou er namelijk in resulteren dat de oude (huidige) regeling nog jarenlang zou moeten blijven bestaan voor de personen die (vlak) voor de inwerkingtreding van de wet worden veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf.[3] Minister Dekker heeft er voor gekozen deze visie niet over te nemen, zodat het overgangsrecht ook op dat deel van de wetswijziging van toepassing is.

Dit ligt enigszins anders ten aanzien van het Penitentiair Programma (PP). Bij aanvang van de tenuitvoerlegging van een straf vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, komt de veroordeelde ook bij een gevangenisstraf hoger dan één jaar alleen nog in aanmerking voor het PP, als de tenuitvoerlegging van die straf nog ten hoogste 3 jaar na inwerkingtreding van de wet gaande is. Terug naar het eerder aangehaalde voorbeeld: wanneer iemand vlak voor de inwerkingtreding van de wet wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar, dan gaat de laatste fase van detentie in na 6 jaar en 240 dagen (5/6e deel van de 2/3e uit te zitten straf: 8 jaar). Dit is langer dan drie jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. De betreffende persoon komt niet meer in aanmerking voor het PP, ook al is de tenuitvoerlegging van zijn straf reeds vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet aangevangen.

Afsluiting

Vooralsnog is de oude regeling van kracht, omdat het wetsvoorstel met daarin de nieuwe VI-regeling eerst nog ter goedkeuring aan de Eerste Kamer moet worden voorgelegd. Wanneer dat gaat gebeuren is nog niet bekend. Geconcludeerd kan in elk geval worden dat de VI-regeling een stuk strenger gaat worden dan voorheen, als het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt goedgekeurd. De behandeling van uw strafzaak vóórdat de wetswijziging wordt doorgevoerd kan daarom raadzaam zijn. Heeft u hierover vragen, dan zijn onze advocaten zeer bereid deze te beantwoorden.

 

 

[1] Kamerstukken II 2018/19, 35122, nr. 2 (voorstel van wet) en nr. 7 (nota van wijziging)
[2] De afbeelding is opgenomen in: Kamerstukken II 2018/19, 35122, nr. 6
[3] J. Hoekman, ‘Straffen en beschermen, de roerige wereld van de voorwaardelijke invrijheidstelling’ Strafblad 2019/3

Fill 2 Created with Sketch. Terug naar overzicht